Week43

week43: 3 mei t/m 9 mei 2004 geschreven door: Thea
 Back in the Outback
Maandagochtend weer op pad. Een 100 kilometer richting het zuiden. Op naar het Carnarvon National Park. Het is één van de beroemdste parken van Queensland. En dat zegt heel wat, want de ligging is nogal ongunstig. We wilden dus absoluut naar dit park, maar een echt ‘makkelijke’ route erheen was niet te vinden. Als we onderlangs hadden willen rijden, hadden we meer dan 200 kilometer om moeten rijden. Kortom, een zeer afgelegen National Park, maar wereldberoemd in heel Australië.

We laten de caravan dus achter in het zeer swingende, ahum, Rolleston. Hij zal het een nachtje zonder ons moeten doen. Het park is wel zo groot, dat je je er een paar dagen kunt vermaken. Eén dagje lijkt dus echt te kort, ook omdat je niet de hele dag maar kunt blijven lopen, wij niet althans. Bovendien lijkt het ons ook nog eens reuze leuk om in een ‘canvas cabin’ te slapen.

Na anderhalf uur komen we aan op de camping, een echte natuurcamping. Wij zijn blij dat we ons caravannetje niet mee hebben gesleept. Er staan er wel een paar, maar die hebben er waarschijnlijk minstens een keer zo lang over gedaan, en het risico van schade is toch echt aanwezig. Bovendien ziet de tent met houten vloer er prima uit. We hebben vijf bedden tot onze beschikking, dus we kunnen ook nog kiezen waar we slapen vannacht 🙂 Er is een grote open campkitchen vlak voor ons, daar kunnen we vanavond mooi ons potje koken. Om 5 uur wordt er een algemeen kampvuur aangelegd, ook op de open plek voor ons. Dat lijkt dus allemaal prima in orde. Dan kunnen we nu mooi wat korte wandelingetjes maken.

En dat gaat uitstekend, er is zoveel te zien en te klimmen, dat de meisjes vergeten te klagen. Want geklaagd wordt er af en toe: ‘Nee hè, alweer een National Park’. Kortom, sommige woorden moeten wij zien te vermijden. Al worden de dames ook steeds kiener in het ontcijferen van onze omschrijvingen. Als wij omzichtig vertellen waar we heen gaan, is het antwoord: ‘Oh, een National Park dus?’. Gisteren tijdens de borrel met een aantal andere, wat oudere, reizigers kwam dit onderwerp ook ter sprake. Een van hen vergeleek het met een tour door Europa, waarbij de kinderen het dan over een ‘ABC’ hebben: ‘Another bloody cathedral/church/castle*’ (* doorhalen wat op dat moment niet van toepassing is). Zo vergaat het onze dames af en toe met een National Park, vooral natuurlijk omdat het vaak samenvalt met één of meerdere wandeling(en)(etjes). Maar zoals gezegd, vandaag geen geklaag. We lopen een hartstikke leuke Gorge (kloof) in, en zolang er geklauterd kan worden is de stemming prima. Ook een paadje vlak langs, en af en toe over, een creek bevalt prima. Als laatste lopen we nog even naar een plek waar Aboriginal tekeningen te zien zijn. Moe maar voldaan komen we aan het eind van de middag terug bij onze tijdelijke nieuwe woning. René en ik besluiten nog even naar de Lookout te wandelen, maar de dames verkiezen nu toch de PlayMobiel. Het uitzicht is prachtig, de bergketen voor ons ligt er prima bij, en dat na een paar miljoen jaar.

Wij besluiten ons niet direct bij het kampvuur van 5 uur aan te sluiten. Eerst geeft één van de Rangers een soort lezing. Op zich niets mis mee natuurlijk, maar we zitten liever even rustig voor onze tent. Als we tegen zessen besluiten ons potje te gaan koken, zijn wij zeker niet de enigen. Het is een echte natuur camping, er zijn dus veel mensen met tentjes, of in canvas cabins zoals wij. En dan is de campkitchen dé ontmoetingsplek. Wel gezellig natuurlijk, en het kampvuur is er vlak bij aangestoken, dus dat verhoogt de sfeer nog eens.

Het kampvuur is vandaag overigens niet alleen voor de sier. Het is akelig koud aan het worden. De afgelopen nacht is het kwik hier gedaald tot 5 graden. Dat heb je in de bergen natuurlijk. Overdag is het heerlijk weer, stralend zonnetje en een graadje of 25. Maar ’s nachts koelt het meer dan behoorlijk af. Gelukkig zijn wij goed voorbereid. We spelen een beetje vals, we hebben namelijk ons kacheltje uit de caravan meegenomen. Dus ons hutje blijft lekker warm die avond 🙂 De meiden vinden het ook prachtig in onze canvas cabin. Het is toch een soort ‘uit logeren’. Onze caravan is echt ons huis natuurlijk. En een beetje afwisseling vinden ze altijd geweldig.

We hebben weer enkele leuke gesprekjes met mede kampeerders. René hoort nog van één van de Rangers dat het park af en toe niet bereikbaar is. Na wat flinke regenbuien kun je er een tijdje niet meer in, en dus ook niet meer uit. Het langst hebben mensen hier 6 dagen vast gezeten. Slik, ik moet daar niet aan denken, want waarschijnlijk kun je die dagen ook niet lekker wandelen. Het beekje is dan ongetwijfeld een meer dan bruisende rivier geworden. Maar goed, geen wolkje aan de lucht, letterlijk. De maan schijnt er lustig op los en ook de weersverwachting is prima.

En dat merken we meteen de volgende morgen. De boslucht doet ons overigens zo goed, dat we boffen dat René de wekker heeft gezet. Om half 9 worden we alle vier door de wekker gewekt. Nou was dat ook niet zo heel raar, want we waren allemaal al even wakker geweest, heel vroeg vanochtend. Ergens om half 6 begonnen mensen af te breken, en die vonden het absoluut niet nodig dat een beetje rustig te doen. Er werd veel gelachen en hard gepraat. Dat kon onze buurman niet op zich laten zitten, die begon te hoesten en te niezen, dat horen en zien je verging. Daar begonnen alle vogels in het bos zich ook mee te bemoeien, kortom met de rust was het geheel gedaan. Maar goed, zoals gezegd, daarna vielen we allemaal weer in een diepe slaap.

We ontbijten uitgebreid in de campkitchen, en rijden daarna rustig richting de grote kloof. Er is een ‘main track’ in de kloof van een kilometer of 10, enkele reis. Nou zijn wij niet van plan die helemaal te gaan lopen, maar veel hikers doen dat dus wel. Wij zijn nog niet toe aan muiterij en besluiten een wandeling te maken van 7-8 kilometer in totaal. De hoofdroute loopt langs een beekje/riviertje op de bodem van de kloof waarvoor dit National Park beroemd is: The Cararvon Gorge. Op die hoofdroute zijn een aantal ‘afslagen’ richting zijkloven. Dat zijn dan de eindbestemmingen van de verschillende wandelingen. In die zijkloven zijn verschillende bezienswaardigheden.

Op de parkeerplaats worden we al begroet door een meute kangoeroes. We tellen er zo een stuk of 10. Uiteraard zijn Lisa en Mirthe alleen nog maar geïnteresseerd in kleine baby roo’tjes, want we zien nogal wat van deze springers. Maar deze keer steken er geen poten uit een buidel. Na goed 3 kilometer de hoofdroute te hebben gevolgd, en het beekje een keer of zeven te zijn overgestoken door van kei tot kei te springen, slaan wij af richting Moss Garden. De achtste keer het beekje over. De plek ziet eruit zoals de naam doet vermoeden. Het is een behoorlijk klimmetje ernaar toe, maar de dames vinden het te saai. Niet het eindresultaat, maar de weg erheen. Er is te weinig wildernis, en er zijn niet genoeg grote rotsen om op te klimmen. Kortom, vandaag wordt er af en toe weer wel gemopperd. Maar wij kunnen het aan, en het valt al met al wel mee. En papa en mama staan zich weer te vergapen aan deze prachtige natuurwonderen. Ook een klein uitstapje in de Hellhole Gorge bevalt ons prima. Hier is geen echt pad aangelegd, maar er zijn al wel zoveel mensen geweest dat je je niet met een bijl een weg door het oerwoud hoeft te banen. Vooral deze bijna wildernis is een genot voor het oog en andere zintuigen, en geeft je ook nog eens een stoer avontuurlijk gevoel. Indiana Jones is er niets bij, alleen nog even op zoek naar een willekeurige schat of tempel. De wandeling is zeker niet voor niets geweest.

Als we terug zijn voelen we allemaal onze voetjes toch wel een beetje. Da’s ook niet gek met de kilometers van gisteren meegeteld. Mirthe lijkt nog het fitst van ons allemaal. Ze trekt nog even een sprintje aan het eind van de route om zeker te zijn dat ze als eerste weer terug is. We laten ons de lunch, bij het enige restaurant in het park, prima smaken. Uiteraard smaakt die nog lekkerder vanwege onze lichamelijke inspanningen.

Daarna tuffen we weer naar ons eigen ‘huisje’. Dat staat trouw op ons te wachten, en is niet boos dat we een nachtje weg zijn geweest. Het weer is die avond een stuk aangenamer. Het is zeker 10 graden warmer. Ik ben geen Pelleboer, eh sorry, Piet Paulusma voor de jeugdigen. Dus ik heb werkelijk geen idee hoe de temperatuur nou zo kan verschillen van nacht tot nacht. Maar goed, we klagen niet. Blij dat het kacheltje weer in de kast kan.

De volgende dag trekken we richting Rubyvale. Een plaatsje midden in het Gemstone gebied. Dit is een reisdoel van ons, sinds we de Gemstone fields in het centrum een beetje hebben overgeslagen. Vlak boven Alice Springs (nou ja, vlak is in dit geval een relatief begrip) ligt ook een gebied waar ze veel edelstenen vinden. Door tijdgebrek (en omdat we die plek pas vrij laat in de gaten kregen), hebben we daar toen niet aan fossicken gedaan. Fossicken is het zoeken van mooie glimmertjes. Daarna hebben we op de kaart deze streek ontdekt, waar nog meer saffieren in de grond schijnen te zitten. Vooral Lisa ziet het zoeken van deze stenen helemaal zitten.

De reis gaat sneller dan we hadden verwacht, de weg is erg goed, zelfs voor een ‘hoofdweg’. En onderweg naar dit dorpje passeren we ook weer ‘The Tropic of Capricorn’, oftewel de Steenbokskeerkring. Kortom, het is weer tropisch (of zoiets). Alleen missen we deze keer wel de bordjes die ons erop wijzen dat we de bewuste breedtegraad passeren, maar goed volgens de kaart zitten we er nu toch echt boven.

We besluiten die middag alleen maar even verder rond te kijken in het mini dorpje, en vanwege dat mini is dat is dus zo gebeurd. En we vragen aan verschillende mensen wat nou leuk is voor ons te doen. Omdat geen van ons een stukje glas van een edelsteen(tje) kan onderscheiden, lijkt het ons toch handig niet zomaar in het wilde weg te gaan zoeken in de omgeving. Een beetje professionele begeleiding is wel gewenst. We komen uit op een mijntour, waarna je na afloop een emmer ‘wash’ (zand en stenen dus) krijgt. Die moet je dan gaan zeven, en maar hopen dat er iets moois tussen zit. De dames verheugen zich enorm, ze kunnen er nog maar net van slapen.

De volgende dag op naar de Heritage Mine. Eerst een mijntour, redelijk interessant, maar wij hebben er natuurlijk al een aantal malen onder de grond doorgebracht. We daalden af tot een meter of 15. De temperatuur bleef een graadje of 23 en dat was ook altijd zo, wist de gids te melden. Omdat het hier allemaal steen is wat de klok staat, was er dus geen spoor van grondwater te bekennen. Ook voor het stutten is dit erg handig, want dat is dus helemaal niet nodig. Super solide allemaal. De gids had zelfs een keer onder de grond gezeten terwijl er een lichte aardschok was. Er was in de hele omgeving niets gebeurd in de verschillende mijnen. De mijntour bij Koolgarie in de goudmijn staat bij ons overigens nog steeds met stip op één. Daar moet je echt naar toe 😉

Eenmaal weer boven de grond begon dus de echte lol van die middag. Twee emmers zand en stenen binnenste buiten keren. De gids deed het wasproces met een zeef één keer voor, en liet ons toen verder aan ons lot over. Wij hadden nog steeds niet echt een goed gevoel bij wat we moesten zoeken. We moesten alles maar meenemen werd ons gezegd. Ook de stukjes waar we aan twijfelden, na afloop zouden ze het voor ons bekijken. Maar gelukkig viel het toch nog redelijk mee. Doordat het nat werd, waren de verschillende saffieren (nou ja, stukjes saffier is waarschijnlijk een betere benaming) toch redelijk goed te zien. Uit de twee emmers ‘wash’ haalden we een twintigtal kleine stukje saffier. En twee stukjes waren zelfs groot genoeg om een steentje uit te laten slijpen. Hebben we niet gedaan hoor, maar we nemen ze gewoon ruw mee naar huis. Wij zijn natuurlijk reuze trots op zo’n resultaat, al begrijpen we dat we er niet echt rijk van zijn geworden.

Nog even wat leuks over het caravanpark waar we zaten. Het water voor de douches werd verwarmd door …… een echte houtgestookte kachel. We verbaasden ons over de instructie die bij de douche werd gegeven. Eerst de koude kraan aan, want als de temperatuur boven de 50 graden kwam zou de douche vanzelf afslaan. Zoiets hadden we nog nooit gelezen. Maar ja, via zo’n houtkachel is de temperatuur waarschijnlijk niet echt goed te regelen. Dus er zat een beveiliging op zodat er geen kokend water uit de sproeikop kon komen. Verder bleef het op de camping maar naar een kampvuur ruiken. Maar goed, de oplossing van dit raadsel hebben we dus gevonden. Wij vonden het een grappig idee.

Vrijdag dan maar weer een reisdag. Geen lange dit keer. We willen overmorgen in Mackay zijn, dat is weer aan de kust. Maar vinden een tocht van een goede 400 kilometer wat lang. We hebben tijd zat, en besluiten dus eerst een nachtje neer te strijken in Clermont. We nemen wel een ‘binnendoorweg’.Dit houdt in dat we een aantal kilometers over dirtroad rijden. Het scheelt ons een behoorlijk stuk terugrijden. En de eigenaar van de camping zegt dat het een prima weg is (die ziet ons toch nooit weer terug, dus wat maakt het hem uit ;-). Maar hij blijkt gelijk te hebben. De weg is behoorlijk strak, we hebben hier wel ‘bitumen roads’ gehad die eigenlijk slechter zijn. Het bevalt zo goed dat ik René op een gegeven moment maar even wijs op het feit dat hij 80 rijdt op deze dirtroad, met de caravan achter ons aan. Het enthousiasme van de coureur maar even wat temperen.

Clermont is een stadje met een grote open mijn. Nou hebben we dat ook al een keer gezien, dus we hoeven er niet lang te blijven, maar een middagje vermaken we ons er wel. Overigens geeft dit alles wel aan dat Australië volgens ons een superrijk land is, of in ieder geval zou moeten zijn. Ze hebben hier zo’n beetje alle natuurlijke grondstoffen die ook wat waard zijn. Goud, zilver, koper, saffier, opaal, olie, kolen. Je kunt het zo gek niet opnoemen. Dat is nog eens wat anders dan ‘een beetje gas’ 😉

Maar goed, hoe dan ook Clermont is zo’n stadje waar veel mijnwerkers rondbanjeren. Dat zie je op de camping, en ook in het stadje zelf. Zomaar inenen zijn er hier in dit gehucht weer nachtclubs te bekennen. Die hardwerkende jongens willen ook wel eens een verzetje, niet? Verder valt er niet zo heel veel te beleven. We duiken nog even de bieb in. Daar kunnen we voor een prikkie het internet op. Bagger traag, zoals dat in de meeste bibliotheken hier is, maar goed, het kost ook bijna niks. We nemen twee PC’s in beslag en hoeven uiteindelijk maar $2 te betalen.

’s Avonds merken we ook waar het stadje in de tweede plaats bekend om is. ’s Middags hebben we al een hele colonne veewagens voorbij zien trekken. Een 50 kilometer voor we hier waren. Ik zei (fijngevoelig als ik ben): ‘Kijk die koeien gaan allemaal naar de slacht’. Maar toen het zes, dubbele transportwagens werden zei Lisa dat dat onmogelijk waar kon zijn. ‘Zoveel koeien gaan heus niet naar het slachthuis hoor mam, waarschijnlijk is dit een verhuizing’. Toen even later ook nog een zeer grote dichte vrachtwagen met aanhanger voorbij kwam suizen, was ze helemaal gerustgesteld. ‘Zie je wel, daar heb je alle spullen ook al’. ‘Ja lieverd’ heb ik maar gezegd, ‘ik denk dat je gelijk hebt’. Hoe dan ook, Clermont is een verzamelpunt dan wel overslagpunt van (volgens mij) alle vee hier uit de Outback. En ’s avonds horen en ruiken wij het in- en uitladen van de verschillende veewagens. Gelukkig was het geen nachtwerk, om 11 uur gingen ook de cowboys en cowgirls slapen. Het goede nieuws is natuurlijk wel dat het ondertussen ’s avonds ook dusdanig lekker weer is, dat we weer hele avonden buiten zitten.

Zoals gezegd, Clermont gaf ons geen reden nog een nachtje extra te blijven. Op naar Mackay. Ook nu gaat de reis weer naar wens. We zijn er eigenlijk eerder dan gedacht. En we weten ook hoe dat komt. Het is hier weer de ‘outback’. Je rijdt hier gewoon 80/90 kilometer in het uur. Geen dorpjes met rotondes, stoplichten of andere obstakels. Tuffen met die kar. En dan ben je dus met 3 ½ uur rijden in Mackay. Mackay is de ‘hoofdstad’ voor de sugercane regio. Suikerriet is dat dus. Er wordt hier niets anders verbouwd dan suikerriet. Mackay heeft de grootste haven hier in Queensland, dat heeft dus alles te maken met het verschepen van deze suiker, en van alle kool uit de mijn van Clermont.

We pakken de camping dicht bij zee. We hebben tenslotte al een dag of 8 in het binnenland doorgebracht 🙂 Deze camping blijkt overigens ook vrij dicht bij het centrum te liggen, en dat is weer makkelijk voor de boodschappen. Deze keer hebben we weer een missie. De stoelen van de meisjes hebben het opgegeven. En mijn stoel ook een beetje, maar René denkt die nog wel met wat knutselwerk weer tijdelijk in elkaar te kunnen zetten. En voor $ 8,95 per stuk kopen we weer twee nieuwe zetels. Eigenlijk voel ik me wel een beetje schuldig. Het kan toch niet anders dan dat hier ‘slavenarbeid’ of misschien nog erger kinderarbeid voor wordt verricht. Hoe kun je anders dit soort stoelen voor deze prijs in de winkel hebben. Maar goed, ik weet ook niet door wie de stoelen in elkaar worden gezet als ik duurdere koop. Hoe dan ook, voor een kleine achttien dollar zitten wij weer ‘nieuw’.

De volgende dag is het hier, net als in Nederland, moederdag. Dat is wel een beetje gek, want de datum van vaderdag week nogal af van die thuis (zie week 08 van de avonturen van RTLM). Hoe dan ook, toch leuk een dagje te worden verwend. Prachtige tekeningen natuurlijk van de dames, die ze ‘stiekem’ hadden gemaakt. Verder kreeg ik de CD van Dido en een boek van Bill Bryson. Kortom, grote verwennerij. Het ontbijt geniet ik maar gewoon buiten, da’s wel net zo gezellig. De dag kabbelt verder voorbij.

Ik ga nog even naar de onvermijdelijke Botanic Garden. Hier zou een ‘orchid’ kas zijn. Dat lijkt me hartstikke mooi. Ik zie het al helemaal voor me, honderden prachtige bloeiende orchideeën. De kas wordt een beetje een flop. De eerste de beste Intratuin heeft waarschijnlijk mooiere bloemen. Als ik heel goed kijk (ik durf er niet meteen weer uit te lopen, de vrijwilliger die de tent vandaag runt is heel dicht in de buurt) zie ik her en der nog wel een mooie bloem. Verder zijn het volgens mij vooral planten die bij mijn oma en mijn moeder in de vensterbank stonden en staan, of daar in ieder geval niet zouden misstaan. Ik zie er geen orchideeën in, in ieder geval. Hoe dan ook, mijn staaltje van onkunde op het floraterrein is dan ook maar weer bewezen. Buiten zie ik wel voldoende moois. Een prachtige boom waarvan vanuit verschillende takken ‘wortels’ naar beneden groeien, deze boren zich dus daadwerkelijk in de grond. En een prachtig soort palmstruik, maar wel meer dan zes meter hoog. Deze heb ik uitgebreid als een kunstwerk staan bekijken.

’s Avonds gaan we uit eten. Nee, niet naar Macca, echt uit eten. Het wordt een leuk restaurantje, waar we lekker op de stoep ons maaltje kunnen verorberen. Een echte moederdagverwennerij dus. Hmm, daar moeten we misschien maar eens een traditie van maken 😉 Morgen weer een spannende dag. Als het goed is ligt er een pakje voor ons, uit Holland. Ik moet dan onmiddellijk aan die reclame van Venco denken (van héél lang geleden). Postman te paard in het Wilde Westen die roept: ‘Mister de Vries (denk aan het Engelse accent), your post from Holland’. Nou ja, dit is natuurlijk alleen leuk als je je de reclame herinnert. Hoe dan ook, wij zijn héél benieuwd.