Week42

week42: 26 april t/m 2 mei 2004 geschreven door: René
 Veel natuurgeweld…
Maandag 26 april. We gaan vandaag weer aan een klein avontuur beginnen. We staan nog steeds op camping in Hervey Bay maar de grote attractie hier is het Fraser Island. Op een afstandje van iets meer dan een half uur varen ligt een behoorlijk groot eiland, 125 kilometer lang en 40 kilometer breed. Het bijzondere aan dit eiland is dat het, qua bodem, uit alleen maar zand bestaat. Dat betekent niet dat het volledig kaal is, een groot deel van het eiland bestaat uit regenwoud. Fraser Island is lang geleden ontstaan uit wind, met daarin zanddeeltjes, vanaf de kusten van New South Wales. Dat betekent dus ook dat het nog steeds in ontwikkeling is want ook nu voeren de luchtstromen nog zanddeeltjes aan.

Wij blijven twee dagen, dus ook een nachtje slapen, op Fraser Island. We doen dat met onze eigen Landrover. Want de enige manier om er rond te rijden is met een Four Wheel Drive. De routes die er zijn bestaan uit mulle zandpaden en de hoofdroute is het strand langs de Oostkust. Omdat niet iedereen een 4WD heeft barst het in Hervey Bay van de 4WD-verhuurbedrijven. Maar ook mensen die wel een eigen 4WD bezitten kiezen er vaak voor om toch maar met een gehuurde 4WD het eiland op te gaan. Dit natuurlijk in verband met de redelijk ruige omstandigheden waar je mee te maken gaat krijgen. We hebben er zelf ook wel over gedacht om te huren, of eventueel een georganiseerde tour te kiezen, maar uiteindelijk hebben we toch maar besloten dat we juist voor dit soort gelegenheden een 4WD gekocht hebben. Bovendien is ie goed verzekerd en we gaan er gewoon voor. Dus maandagochtend de tentjes en de andere kampeerspullen maar weer ingepakt en met een volgeladen auto rijden we richting de ferry.

De ferryovertocht hadden we al besproken en we gaan om 11:00 uur naar de overkant. Behalve de ferrykosten moet je ook een vergunning kopen om op Fraser Island rond te mogen rijden en natuurlijk nog de “permits” voor de campingovernachting. Alles bij elkaar kost het avontuurtje “Fraser Island” zo’n 160 dollar. Voordat we de ferry oprijden laten we onze banden een beetje leeglopen. Op zand heb je meer grip als de banden zacht zijn. Iedereen doet dat trouwens, het is dus niet zo dat wij slimmer zijn dan de rest. Veel backpackers huren met een groep een auto met kampeeruitrusting. Ze zitten dan ongeveer met z’n tienen in een verlengde Toyota Landcruiser. Niet echt comfortabel maar wel gezellig, en met z’n tienen ook betaalbaar.

Iets voor het middaguur rijden we de ferry af, ofwel we zijn op Fraser Island. De eerste paar honderd meter ligt er nog asfalt maar al snel wordt het een zandpad. We vinden het wel een beetje spannend, echt veel ervaring met het rijden op zand hebben we nou ook weer niet. Onze eerste bestemming is het Lake McKenzie, een prachtig zoetwater meer, midden op Fraser Island. De eerste 15 kilometer over het mulle karrenspoor verloopt redelijk soepel. Alhoewel het pad in beide richtingen gebruikt wordt is het niet breder dan één auto. Dus zodra er een tegenligger verschijnt moet één van de twee een “passingbay” in. Dat is een stuk extra ruimte aangelegd op bepaalde plekken langs de weg. Het nadeel van die uitwijkplekken is dat ze meestal nog muller zijn dan het hoofdspoor. We hopen maar dat we niet teveel tegenliggers gaan krijgen. Gelukkig valt dat ook wel mee, en na een klein uurtje zijn we 15 kilometer verder, bij Lake McKenzie.

Daar is het behoorlijk druk, ook wel logisch want op het strand kan je nu nog niet zijn. Het strand is alleen berijdbaar tot twee uur voor hoogwater en vanaf twee uur na hoogwater. Voor vandaag betekent dat dus dat we er pas om half drie terecht kunnen. Om te zwemmen moet je trouwens ook niet op het strand zijn want er zitten veel haaien en andere onvriendelijke visjes. Dit alles verklaart waarom er nu vrij veel mensen bij Lake McKenzie zijn. Niet teveel trouwens, want het is behoorlijk groot. Het water is zoet en superhelder, ik heb nog nooit zulk helder water gezien. Het zand er omheen is spierwit en om het strand ligt het regenwoud.Je kan je waarschijnlijk wel voorstellen dat dit alles er prachtig uitziet.

Het is vandaag geen zonnige dag maar wel lekker warm. Omdat we morgenmiddag ook nog vrij veel tijd hebben gaan we nu nog niet uitgebreid zwemmen. We eten onze boterhammetjes en ruim een half uur later gaan we op pad richting het strand aan de Oostkant. Dat is dus weer een uurtje karrensporen. Dit tweede deel is op bepaalde plekken nog ruiger dan het eerste deel. Regelmatig diepe kuilen in het pad en we moeten zo af en toe een heuveltje over. En juist op die heuvels is het spoor erg slecht. Maar we redden het zonder kleerscheuren, de Landrover puft en hijgt maar voelt zich toch behoorlijk thuis in deze omgeving.

We komen aan bij een vakantieverblijf (resort) in het midden aan het Oostelijke strand. Er zijn er een stuk of drie op het eiland, veel touroperators maken er gebruik van om hun klanten een nachtje over te laten blijven. Bij de resorts zijn geen campings maar wel wat andere voorzieningen, zoals ijsjes. Het is ook bijna half drie dus we kunnen het strand gebruiken als snelweg. Eerst kijken we nog even hoe andere auto’s zich door het eerste mulle stuk ploegen om bij de redelijk harde vloedlijn uit te komen. Het lijkt erop dat dat geen probleem gaat worden, zelfs speciale Off The Road bussen rijden hier over het strand. En het wordt gebruikt als landingsbaan voor kleine vliegtuigjes die de wat rijkere toeristen het eiland rondvliegen.

Op het strand ligt het tempo een stuk hoger, op de meeste plekken kan je, en mag je, tachtig rijden. We moeten wel oppassen voor waterstroompjes die vanaf het binnenland de oceaan in stromen. Ze veroorzaken soms een geul, en daar moet je niet met tachtig doorheen. Ons doel is een camping bijna in het Noordelijke puntje van Fraser Island, al met al een kleine zestig kilometer rijden langs het strand. Onderweg komen we langs een aantal “attracties”. Markante gekleurde zandbergen, een mooie diepe geul waar je je in mee kan laten voeren richting de zee en een heus scheepswrak. Zo hier en daar stappen we uit om even te kijken en wat foto’s te maken. We hebben niet echt veel tijd want voor zessen is het al donker. En het lijkt ons wel handig om met daglicht een goede kampeerplek te vinden en onze tentjes op te bouwen.

Bij Indian Head, een markante rots dicht bij onze geplande camping, aangekomen hebben we een kleine tegenvaller. Vanwege Indian Head moeten we een stukje van het strand af, maar dat pad is dusdanig mul dat we daar maar niet doorheen gaan. Er staan ook wat andere mensen met 4Wd’s te kijken hoe het pad eruit ziet maar niemand durft het aan om er in te rijden. Ook wij besluiten dat we een stukkie terug gaan naar een andere camping. Het is ondertussen al na vijven als we de campingplek op rijden. Daar staan al de nodige tentjes maar er is nog genoeg plek. We kiezen een mooi plekje redelijk in de buurt van het toiletgebouwtje. Lisa en Mirthe zetten hun eigen tentje op en een half uurtje later zijn we helemaal klaar. Thea had ondertussen een speciale bewaarplaats voor brandhout ontdekt zodat we ons eigen kampvuurtje kunnen bouwen. Daar zijn mooie vuurplaatsen voor gebouwd waar je ook een pan op kan zetten om te koken.

Na een poosje knutselen met pannen en blikken staat ons eten op tafel. Ook hier helpen Lisa en Mirthe flink mee, het “echte” kamperen vinden ze prachtig. Tijdens het eten komt de ranger nog even langs om onze vergunningen te controleren maar vooral om ons te waarschuwen voor de dingo’s. Dat zijn wilde honden die in veel delen van Australië voorkomen maar vooral op Fraser Island in groten getale aanwezig zijn. Voor volwassen zijn ze niet gevaarlijk maar kinderen lopen het risico te worden aangevallen. We krijgen de nodige voorlichting van de ranger, vooral het voorzichtig zijn met eten en etensresten is erg belangrijk. Hij vertelt ons ook dat ze ’s nachts waarschijnlijk wel om onze tentjes zullen lopen te snuffelen maar dat kan verder geen kwaad mits er niets te eten in ligt. Als we na het eten gezellig bij ons eigen kampvuurtje zitten lopen er inderdaad twee dingo’s vlak voor ons langs. Het is de eerste keer dat we ze echt zien. En de ranger had gelijk, midden in de nacht horen we ze om de tenten snuffelen. Lisa en Mirthe horen ze ook maar gaan weer lekker slapen als ze weg zijn.

Dinsdag 27 april. We staan om zeven uur op want vanwege de opkomende vloed hebben we tot twaalf uur de tijd om op het strand te rijden. Het is heerlijk weer, we ontbijten in het zonnetje, breken de boel weer af en rijden om half negen weer het strand op. Het is de bedoeling dat we weer uitkomen bij hetzelfde resort waar we gisteren het strand zijn opgegaan. De route voert weer langs dezelfde “attracties” waar we gisteren ook al langs waren gekomen. Maar we hebben nu iets meer tijd, we stoppen overal wat uitgebreider, ook om wat video-opnames te maken. Omdat de zon nu schijnt ziet het er nog mooier uit dan gisteren. Het is een heel aparte ervaring om zo langs het strand te rijden. We stoppen nog even voor een kop koffie bij een ander resort en zijn ruim voor twaalf uur van het strand af.

We rijden weer over de zandpaden naar een ander meer, Lake Birrabeen. Volgens de Lonely Planet nog mooier dan Lake McKenzie. Maar dat vonden wij niet het geval, bovendien ligt het minder beschut en er stond een frisse wind. Dus via het Central Station, een voormalig houthakkerskamp, rijden (ploegen) we weer naar Lake McKenzie. Als we er aankomen begint het licht te regen en het wordt behoorlijk grijs in de lucht. Toch maar onze strandspulletjes gepakt en naar het strand gelopen.
En gelukkig valt de regen mee en na een kwartiertje schijnt de zon weer. Het is er nog drukker, en gezelliger, dan gisteren. Lisa en ik nemen nog een duikje in het water, wel heel apart om in zulk helder water te zwemmen.

Na een uurtje Lake McKenzie rijden we naar de plek waar de ferry ons komt ophalen. Het rijden over de zandpaden en het strand was soms behoorlijk spannend, we kregen zelfs een beetje een Parijs-Dakar of Camel-Trophy gevoel. Het lijkt erop dat we alles heel hebben kunnen houden, ondanks de behoorlijke hobbels- en bobbels die we hebben overwonnen. Ons landrovertje heeft het prima gedaan, hij ziet er wel wat anders uit na twee dagen door water en zand maar daar gaan we morgen weer wat aan doen. Na 45 minuutjes op de ferry en nog een half uurtje richting Hervey Bay besluiten we dat we onze honger laten stillen door McDonalds. Het waren twee prachtige dagen.

Woensdag 28 april. Weer gewoon wakker geworden in onze comfortabele caravan. Ik ga ‘s ochtends met de auto naar een autowasgelegenheid in de hoofdstraat van Hervey Bay. Ze hebben een speciaal deel waar je het zand en het zoute water van de bodem kan laten afspuiten. En natuurlijk de normale programma’s die je in een autowasgelegenheid vaker ziet. Het is helaas geen wasstraat, je moet alles zelf doen. De speciale hogedrukspuit krijgt bij ieder programmaonderdeel een nieuwe functie. Behalve het wassen ben je ook behoorlijk druk met het inwerpen van dollarstukken, maar het resultaat mag er zijn. Nog even de stofzuiger erdoor en er staat weer een frisse, blinkende Landrover op de straat. Vervolgens nog even tanken en de banden weer op de normale spanning brengen en we zijn weer klaar voor de volgende etappe. Tenslotte nog langs een internetcafé voor de website en de lijst met uit te voeren klusjes is weer helemaal leeg.

Bij terugkomst op de camping hebben Lisa en Mirthe hun schoolwerk af en ligt de was weer schoon in de kast. Zo heeft iedereen de ochtend z’n best gedaan. Helaas ziet de lucht er niet al te rooskleurig uit en na een poosje begint het te regenen. En dat gaat de hele middag door. We hadden al wel behoorlijk wat regen gehad de laatste weken maar altijd keurig gedurende de nacht. De volgende ochtend was het dan weer heerlijk weer. Vandaag dus maar weer eens regen overdag. We gaan het winkelcentrum in voor de nodige boodschappen, het lukt ons iedere keer weer om dingen te verzinnen die gekocht moeten worden. Bovendien ruilen en kopen we nog wat nieuwe oude boeken in een winkeltje voor tweedehandsboeken. De rest van de middag zitten we binnen te lezen, spelletjes te doen of gewoon even een dutje. ’s Avonds hebben we nog een geweldige computercrash, alles werkt nog behalve het beeldscherm, dat blijft zwart. En zonder beeld is het behoorlijk lastig computeren. Gelukkig had ik me voor ons vertrek al voorbereid op dit soort crashes (zekerheidje bij Microsoft) en de nodige rescue-dvd-tjes in elkaar geknutseld. En ze kwamen goed van pas, ruim een uur later werkte het meeste weer. Helaas wel anderhalve maand aan mailtjes verloren gegaan.

Donderdag 29 april. Ook vanochtend weer regen. Dus voor het eerst sinds tijden geen ontbijt buiten. Ook het afbreken en inpakken in de regen is minder ideaal. Gelukkig wordt het nog weer even droog. We rijden vandaag een heel stuk het binnenland in. Naar Cania Gorge National Park, ruim 360 kilometer landinwaarts.
Wel weer grappig om de hoofdroute langs de kust te verlaten. Het doet ons weer heel erg denken aan het reizen in West Australië en het Noorden. Bijna geen verkeer, minder brede wegen en koffie drinken in een roadhouse. Tijdens de rit valt er nog behoorlijk wat water uit de lucht, zo af en toe moeten we onze snelheid aanpassen. Het was een tijd geleden dat we zo’n lange rit hadden naar de volgende camping. Pas tegen een uur of drie zijn we er.

Maar het ziet er ook gelijk weer erg leuk uit. We staan aan de rand van het Cania Gorge National Park. Veel prachtige rotsformaties, kloven, afgronden, meertjes en andere natuurbezienswaardigheden. De camping is dik in orde, we hebben een grote plek met een stookplaats vlak voor de caravan. De regen is ondertussen opgehouden en de zon breekt door, de weersverwachting voor de rest van de week is weer perfect. We staan wel weer echt in een National Park. Een prachtige natuurlijke omgeving met veel “wildlife”. We zien al direct wat kangaroo’s lopen en het barst er van de vogels. ’s Avonds als het al donker is geworden springen er grote kikkers langs de caravan en zien we op allerlei plekken weer gecko’s (soort doorzichtige salamander) aan de muur hangen. En er lopen hier erg veel bettongs, een soort kruising tussen een rat en een kangaroo. We hadden ze nog niet eerder gezien maar ze zijn hier volop aanwezig, ze gaan niet eens aan de kant als je vlak langs ze loopt. Als we voor de caravan een kop koffie zitten te drinken worden we gezelschap gehouden door een veldmuis die in onze opbergkratten probeert te klimmen. Kortom, we zitten weer in de natuur!

Vrijdag 30 april. We vieren hier vandaag maar geen koninginnedag. In plaats daarvan gaan we genieten van de prachtige omgeving. Dat begint eigenlijk al als we wakker worden, rond de caravan lopen een aantal kangaroo’s te grazen, inclusief een jonkie. Ze zijn ook niet schuw, zolang je ze niet wegstuurt blijven ze lekker in de buurt. Lisa en Mirthe werken snel hun schoolwerk af want 50 meter verderop ligt een gigantisch opblaasspringkussen op ze te wachten. In Nieuw Zeeland hadden ze een soortgelijk springkussen ook al uitvoerig uitgeprobeerd, maar daarna zijn we ze niet meer tegengekomen. Ze vinden het helemaal geweldig!

De ouders genieten van de zon, de omgeving en de rust (willekeurige volgorde). Thea maakt nog een klein wandelingetje maar voor de middag staat de echte wandeling op het programma. We hebben ondertussen een vracht kampvuurhout besteld in de winkel, vanavond gaan we een vuurtje stoken. Je kan het hout ook zelf gaan zoeken in het bos maar voor 10 dollar brengen ze het bij de caravan, en je kunt er makkelijk 2 avonden van stoken. Na de middaglunch rijden we naar het vertrekpunt van een aantal uitgezette wandelingen, de camping ligt net naast het Cania Gorge National Park. Het is erg rustig in het park, op de parkeerplaats heeft verder niemand z’n auto geparkeerd.

We kiezen een wandeling van 5,6 kilometer, inclusief veel stijgen en dalen. En het is een prachtige wandeling. Op de heenweg lopen we voor het grootste deel langs een droogliggend beekje. Veel grote keien voor de kids om op te klimmen, prachtige bomen, varens en veel mieren(hopen). Het keerpunt is een waterpoel midden tussen grote rotspartijen, werkelijk heel apart. De terugweg loopt langs de Giant Chair Lookout, dus dat betekent een flink klimmetje. We lopen een groot stuk langs een mooie rotsmuur met aan de andere kant de diepte. En uiteindelijk komen we dan aan bij de lookout. Een mooi vergezicht over een groot deel van het park met veel groen, bergen en rotspartijen. Tenslotte moeten we nog 800 meter steil naar beneden voordat we bij de auto terug zijn. Dit was absoluut één van de betere wandelingen die we dit jaar gemaakt hebben.

Na de wandeling rijden we terug naar de camping, eerst nog even kijken bij een enorme dam die ervoor zorgt dat er een meertje is voor het drinkwater. Het meer is behoorlijk groot en ook hier zijn prachtig aangelegde picknickplekken met barbecues en toiletten. Er zijn alleen geen mensen, maar de voorzieningen zijn helemaal top. Misschien gaan we hier morgen nog wat meer tijd besteden. Nu eerst naar de camping want om vijf uur gaan ze de vogels voeren, schijnt leuk te zijn.

We hadden al wel vaker op campings gestaan waar de vogels op vaste tijden worden gevoerd maar hier maken ze er een heel spektakel van. Dat kan ook want er komen nogal wat vogels op af. Niet de saaie mussen maar in plaats daarvan prachtige gekleurde (papegaaiachtige) vogels. En een drietal Cookaburra’s, dat zijn grote, bruine, behoorlijk brutale, vleesetende vogels. Ze eten normaal graag veldmuisjes maar komen ook op het voeren af, niet zo gek want ze krijgen kleine stukjes vlees. De eigenaar van de camping maakt er een hele show van, inclusief uitleg, demonstraties en fotosessies. Vooral Thea en Mirthe zijn gek op vogeltjes en helpen enthousiast mee bij het voeren. Dat betekent dus dat ze een aantal vogels op hun hoofd, de schouders, de armen en de handen hebben. We maken natuurlijk weer wat fotootjes voor onze verzameling.

Na het vogeltjesvoeren gaan we terug naar de caravan om ons kampvuurtje aan te steken. Vlak naast de caravan hebben we een prachtige vuurplaats en het hout ligt al keurig in kleine stukken gehakt, te wachten. Binnen de kortste keren brandt er een heerlijk kampvuurtje, we worden al echte padvinders zo langzamerhand. Het vuurtje is geen overbodige luxe want het wordt al snel frisser. Aan de kust bleven de avonden redelijk warm maar hier in het binnenland is het behoorlijk fris, ook gisteravond in de caravan moest de kachel aan.

Ook na het avondeten (pannenkoeken) maken we nog een poosje gebruik van de warmte en de gezelligheid van het kampvuur. De beesten schrikken we er niet mee af want de bettongs huppen om ons heen. Ook nog even naar Nederland gebeld want Dagmar (ons favoriete nichtje) is vandaag jarig. Tegen half tien kruipen Lisa en Mirthe behoorlijk afgepeigerd hun bed in. Meerdere keren op het springkussen geweest, een flinke (berg)wandeling gemaakt en verder ook niet stilgezeten, ze zijn helemaal bekaf.

Zaterdag 1 mei. De nachten zijn behoorlijk fris in deze regio, pas na negen uur ’s ochtends trekt de laatste dauw weg. Vandaag genieten we nog een dagje van deze prachtige camping en omgeving. Dat idee hebben trouwens meer mensen want vanaf de ochtend komen er steeds meer kampeerders het terrein vullen. Een blik op onze Australische kalender leert dat het dit weekend Labourday-weekend is. De maandag is als een extra feestdag aan het weekend geplakt. En we hebben dat al op veel meer plaatsen gezien, zodra er een lang weekend is trekken de Australiërs er massaal op uit om te gaan kamperen. Dat doen ze dan vooral met familie en/of vrienden, overal staan groepjes bij elkaar. En wat me ook opvalt is dat ze niet alleen houden van kamperen maar vooral van het opbouwen en afbreken. Er wordt van alles en nog wat meegenomen en ze zijn een halve dag aan het opbouwen en inrichten en ook weer een halve dag aan het afbreken en inpakken.

Wij blijven vandaag het grootste deel op de camping. Veel springkussenspringen voor de meisjes, en het schoolwerk natuurlijk. En Thea maakt weer een flinke wandeling. Tegen de middag rijden we nog even naar het meertje maar dat valt wat tegen. We hadden verwacht dat daar meer te doen zou zijn maar dat is niet zo. Veel geparkeerde auto’s met lege boottrailers, één speedboot met wat waterskiënde jongeren en verder niets. Er wordt gewaarschuwd voor groene- en blauwe algen, niet echt uitnodigend voor een duikje dus. We zijn al snel weer op de camping terug.

Daar maken we ons op om weer naar het vogels voeren (Birdfeeding) te gaan kijken. Mirthe had het voornemen om een Cookaburra op haar arm te nemen en een stukje vlees te geven. Het was wel veel drukker dan gisteren maar gelukkig kreeg ze de kans om te doen wat ze wou. Cookaburra’s zijn behoorlijk grote, dikke bruin/witte vogels die graag een muisje (volop aanwezig hier) weghappen. Gelukkig hoefde ze geen muisje te voeren maar een mooi stukje vlees. Best wel dapper als jezelf vegetariër bent.

Na het voeren van de vogels snel ons kampvuur maar weer aangestoken, er ligt nog een hele vracht hout. Bovendien moet er op tijd gegeten worden want Lisa en Mirthe gaan vanavond naar de film. Op een groot doek (buiten) wordt een komische film met Steve Martin gedraaid. Ondanks het feit dat die niet in het Nederlands wordt ondertiteld kunnen ze het goed volgen. Iets voor negen komen ze weer richting caravan met hun eigen stoel en een dekentje tegen de kou. Nog even opwarmen bij het kampvuur en dan maar snel naar bed.

Thea en ik houden het buiten nog wat langer vol. We hebben een vuur als nooit tevoren. Het lukt ons net niet om al het hout voor half twaalf op te krijgen. Morgen gaan we de boel inpakken en weer driehonderd kilometer verder rijden.

Zondag 2 mei. Ons doel voor vandaag is het plaatsje Rolleston. Maar eigenlijk alleen om een nachtje te slapen en daarna als caravanstalling. Want het echte doel is het Carnarvon National Park. Maar om daar te komen moeten we 20 kilometer dirtroad (geen asfalt) overwinnen, dat willen we de caravan niet aandoen. Het Carnarvon National Park is beroemd vanwege de grote rotspartijen, de kloven en de prachtige bossen. We gaan daar een paar prachtige wandelingen maken. Om er voldoende tijd te hebben bespreken we er een “canvas cabin” voor een nacht. Een canvas cabin is een basic ingericht huisje van tentdoek. Hier gaan we dus maandagnacht slapen, daarna pikken we de caravan weer op.

Het ritje naar Rolleston toe loopt door de echte Outback. Een ontzettend leeg gebied, zo af en toe een slecht stuk weg en maar weinig voorzieningen langs de route. Maar toch wel heel leuk om dit weer eens zo te zien. Bijna vijf uur nadat we van de vorige camping zijn vertrokken komen we aan in Rolleston. Volgens onze campinggids is er in ieder geval een camping. Dat klopt inderdaad maar vraag niet wat voor een camping. Super basic allemaal, met maar 2 andere caravans die ongeveer hetzelfde doen als wij doen. De rest van de (zeer oude) caravans is van lokale cowboys die om wat voor reden dan ook in dit plaatsje moeten zijn. En het dorp zelf stelt ook niets voor. Er is een pub en een gecombineerde winkel/postkantoor/benzinepomp. Zoiets noemen ze hier een General Store. Veel huizen/hutjes staan er niet.

Maar we bouwen ons boeltje toch maar op en drinken aan het eind van de middag nog een borrel met de andere lotgenoten die direct naast ons staan. Was eigenlijk reuze gezellig. Morgen gaan we de natuur weer in.