Week13

week13: 6 oktober t/m 12 oktober 2003 geschreven door: Thea
 Op naar de zee !!!

Als we op maandag wakker worden is de wind gelukkig een stuk afgenomen. Als de wind was gebleven zoals die op zondag was, hadden we niet kunnen rijden. Omdat de rit niet zover is en we niet verwachten in Woomera veel bijzonders aan te treffen, staan we gewoon om 8 uur op. Om half 10 vertrekken we, en we rijden in Zuidelijke richting langs nog weer een aantal menselijke ‘molshopen’. Een paar dagen eerder hadden we van iemand gehoord dat het zonde was om naar Coober Pedy te gaan. Er was ab-so-luut niets te zien. Wij zijn het niet met die meneer eens. Een heel bijzondere ervaring, zo’n soort wildwest stadje. Hier zie je echt nog een beetje hoe het gaat met goudkoorts, al is het in dit geval opaalkoorts. Stoere en vooral vieze mannen en heel veel schreeuwerige reclameborden. En de omgeving is zeer bijzonder, zoals René al heeft beschreven in week 12. Vlak bij Coober Pedy loopt de ‘Dog Fence’ dit is een hek dat meer dan 5600 (!!!) kilometer lang is. Deze is bedoeld om de dingo’s (wilde honden) bij het vee weg te houden. Ruim 5600 kilometer, haast niet voor te stellen, wie bedenkt nou zoiets. Laat staan dat je het uitvoert. Daar waar het hek de weg kruist, is een grid aangebracht, een wildrooster zouden wij zeggen. Deze grids zijn er overigens niet alleen ten behoeve van de ‘Dog Fence’, ook voor de gewone hekken van de boeren liggen deze in de weg. Dit betekent dus dat je meerdere keren per dag zo’n grid passeert. Niet echt geweldig voor de banden, lijkt ons. Maar we denken niet dat de Australiërs daar veel boodschap aan hebben.

De reis gaat weer voorspoedig. Wij zijn elke keer nog weer blij met de stabelizers die we voor de caravan gekocht hebben. Je voelt nauwelijks meer dat die erachter hangt. Er staat nog een stevige wind, maar hij is niet té. De dames hebben ondertussen een nieuwe ringbandmap gekregen. Dat moest wel, want ze zijn hele families aan het tekenen. Iedereen komt met een ‘foto’ in de map. Het begon met één meisje, haar zusjes en broertjes en haar vader en moeder. Ondertussen is daar een hele familie en buurt bijgekomen. Inclusief een dode opa (die anders dik in de tachtig zou zijn geweest), een omgebouwde tante, een huwelijk van iemand met een donkere man (leuke chocoladekleurige kindjes natuurlijk), een gezin met zeven kinderen, een gezin dat naar Australië op vakantie gaat. En wat je maar niet meer kunt bedenken. Bij alle foto’s worden ook de eigenschappen en hobby’s van de personen vermeld. Of ze aardig zijn, van shoppen houden, sportief zijn, van een biertje houden (hoe komen ze daar nou bij ;-). Ondertussen schat ik dat ze tegen de 75 mensjes hebben verzonnen. Erg leuk en ze zijn er erg druk mee. Een boek om te bewaren.

De omgeving is in eerste instantie weer zeer leeg en vlak. Het is eigenlijk niet uit te leggen. Maar jullie moeten je voorstellen dat we vandaag 375 kilometer rijden (meer dan Nederland door dus) zonder dat we één plaatsje tegenkomen. Er is niets maar dan ook hélemaal niets. Leegte zover je kunt kijken. Zelfs geen koeien of schapen. Ik kan het opschrijven, maar je moet er doorheen rijden om het te ervaren. Het is niet zo dat we door een zandwoestijn rijden, er groeit wel ‘iets’ op de grond. Maar dat is allemaal zeer laag en ziet er zeer onsappig uit. Tegen het eind van de reis komen er langzamerhand weer een paar heuvels. En in plaats van het niets, kleine struikjes. We rijden ook door een stuk land waar we hoe dan ook de weg niet afmogen. Het is militair terrein. Ook hier even ter vergelijking, ik denk dat Nederland en België in dit militaire gebied passen. Woomera, waar we zullen stoppen, is een oude raketbasis. Zowel de Australiërs als de Europeanen en de Amerikanen, hebben vanaf Woomera allerlei rakketen ontwikkeld en gelanceerd. Ik denk dat ze geen betere lege plek op de aarde konden vinden. De woestijn hier zal ongetwijfeld nog met een flink aantal brokstukken versierd zijn.

Om het nog even over de leegte van Australië te hebben. Uit een boek van Bill Bryson (waarover zo meer) heb ik het volgende verhaal. In 1994 werd er in Australië een soort aardschok waargenomen. Het centrum van de schok lag in een woestijngebied. Er zijn meldingen van gemaakt, maar niemand wist precies wat het was. Het kon eigenlijk geen aardschok zijn, maar ja, wat dan wel? Dat wist men ook niet. Ze hebben de zaak laten rusten. In 1997 heeft een Japanse extremistische groep gifgas in de metro gebruikt, zoals vast nog wel bekend, waarbij meer dan 20 dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Daarna is uiteraard een onderzoek gedaan naar alle bezittingen van die groep en de betrokken mensen. En jawel, ze bleken ook een stuk grond in Australië te bezitten, midden in de woestijn. Exact het gebied waar de ‘aardschok’ was geweest. Dit vergemakkelijkte het onderzoek en het blijkt dat daar een illegale atoomproef heeft plaatsgevonden. Dit geeft dus duidelijk de uitgestrektheid van het land weer. Er vindt een atoomproef plaats in je achtertuin, maar je hebt er geen idee van. Mochten jullie meer van dit soort ‘leuke’ wetenswaardigheden willen lezen. Koop dan het boek van Bill Bryson: Tegenvoeters. Het is werkelijk een fantastisch grappig boek (al waarvoor dank aan Cynthia en Karin) en ook nog eens zeer leerzaam. Veel curieuze feiten, niet de dingen die je in de gewone reisboeken tegenkomt. Echt een aanrader voor de donkere en koude winteravonden die eraan komen 😉

In de loop van onze reis viel het ons op dat er her en der een wat groenere kleur over de aarde leek te liggen. En in een iets lager gelegen gebied zagen we wat water. Bij een roadhouse vlak voor Woomera lagen er zelfs plassen. Geregend dus. Aha, de wolken en de harde wind in Coober Pedy waren dus de rand van het lage drukgebied hier. Navraag leerde dat het er al 3 dagen had geregend. De eigenaar van het roadhouse lachte erbij. ‘Gelukkig wel’, en er mocht nog wel veel meer vallen. Het was er al een tijd erg droog geweest. Grappig is dat, om te zien dat mensen nog echt blij kunnen zijn met 3 dagen regen. Kom daar in Nederland maar eens om.

Aangekomen in Woomera, was de eerste aanblik van de camping ook een kleine schok. Wat een vreselijk kale en ongezellige stek. Blij dat we hier maar één nachtje doorbrengen. Kans op depressiviteit is hier zeker aanwezig. Het is dan ook een beetje een spookstadje. De raketbasis waaraan het stadje haar bestaansrecht ontleent, is grotendeels ontmanteld. En om toch wat met de vrijgekomen ruimte te doen, hebben ze hier zowel gevangenen als asielzoekers gehuisvest. Al geldt voor deze laatste groep dat het woord ‘huisvesten’ waarschijnlijk niet zo goed gekozen is. Er zijn regelmatig acties geweest, over hoe het mogelijk is dat een ontwikkeld land zo met haar asielzoekers om kan gaan. De Australiërs zelf vonden het te bar. En dat zegt wat, want zoveel hebben ze niet met asielzoekers op. Ik geloof dat er de laatste twee jaar wat verbetering in is gekomen. Denk dus niet dat wij ‘loslopende’ asielzoekers hebben aangetroffen in het dorp.

Wel een soort museum over de raketbasis. Dat was interessant om te zien. Het is raar, maar het blijft toch leuk een oud vliegtuig van dichtbij te bekijken (die stonden er ook) en dat geldt ook voor de raketten. In een soort dorpshuis hadden ze ook, op een lekker kneuterige manier, een aantal voorwerpen tentoongesteld van de basis. Oude typmachines, een soort voorloper van de telex, een machine waarmee ze een raket konden volgen en dan de baan van die raket uitrekenen (dat was een klusje voor de vrouwen, stond er uitdrukkelijk bij??) en veel krantenknipsels. Kortom toch nog even leuk. Verder was het dorpje misschien ook ietsie leger dan anders omdat het een verlengd weekend was. Alles zat dicht. We hebben niet de moeite genomen te vragen waarom, en zijn lekker vroeg onder de wol gekropen.

De volgende dag nog 175 kilometer naar Port Augusta. Direct na Woomera veranderde de omgeving. Het harde en lege van de dag ervoor was eraf. Heuvels, zoals je die in Frankrijk ook tegenkomt, nou ja iets droger en dorder, maar toch. En ook hier was regen gevallen, dus de aarde was op een aantal plekken met fris groen gras (oid) bedekt. En ook de bomen leken het prima te hebben gehad. We hebben zelfs enkele rode en paarse bloemen gezien. En dat is toch werkelijk een flink aantal duizenden kilometers geleden. Kortom een heerlijk relaxed tochtje. Zeker omdat we met een kleine twee uur al op de plaats van bestemming waren. De camping was ook een verademing na gister. En een heerlijk grote speeltuin voor de meiden. Het zwembad kunnen we de komende weken even uit ons hoofd zetten. Dat is er wel, maar het is echt te koud. Het zonnetje schijnt heerlijk, maar met een graad of 22 houdt het wel op. En met nachten waarbij het kwik niet boven de 10 graden komt, is de temperatuur van het zwembadwater echt geen pretje.

’s Middags een wandeling naar het centrum van Port Augusta gemaakt. Over een lange brug. Heerlijk wandelweer en het dorpje ziet er ook heel vriendelijk uit. Lekker strandje bij de brug, mooie speeltoestellen (echt waar, dat doen ze hier in Australië beter dan in Nederland) en een sfeertje van een stadje dat zich opmaakt voor de zomer. Lekker een beetje gewinkeld, maar helaas geen plekje kunnen vinden waar we onze website verder kunnen updaten. De foto’s laten dan ook nog even op zich wachten. Dat kan gebeuren, we weten dat het niet altijd zal lukken om de site elke week goed bij te houden. Tot nu toe valt het ons over het algemeen nog mee, maar deze keer dus niet. En dat vinden wij wel bijzonder voor een stadje met bijna 15.000 inwoners. Tot nu toe was er altijd wel goed internetverkeer mogelijk in een plaatsje vanaf circa 2.000 inwoners. Gat in de markt? 😉

De volgende dag is het bewolkt. Donkere wolken alom, en een frisse wind. Het kwik is onder de 20 graden gedaald. Dus maar weer eens een lange broek aan. Hoera !!! Die past nog 🙂 De dames weer aan het schoolwerk gezet en lekker een beetje luieren. ’s Middags naar het Wadlata museum geweest in het centrum van Port Augusta. Dit is een museum over de ‘Outback’ hier in South Australia. Dat hadden ze erg leuk opgezet. Redelijk interactief, waardoor de meiden ook behoorlijk enthousiast rondliepen. En je kreeg een goed beeld van de hardheid van het binnenland. Zeker voor de mensen die daar begin 1900 probeerden een bestaan op te bouwen, of beter gezegd, probeerden te overleven. ’s Avonds in de caravan gezeten, met het kacheltje aan !!! Echt koud, dat komt vooral door de gure wind. Wel lekker geslapen met z’n allen.

Donderdag is de bewolking verdwenen, maar de wind is nog steeds aanwezig en vrij fris. We krijgen een heerlijk lentegevoel, uit de wind zit je lekker relaxed in het zonnetje, maar in de wind moet je gewoon een trui aan. Na het schooltje spelen gaan we nog even naar de Botanic Garden hier. Die heeft als thema het ‘Arid’ gebied. Dat wil zeggen, de droge gebieden hier uit Australië. Ze doen dan ook weinig aan besproeiing, en wij hebben een beetje het gevoel dat we door wat dorre heide lopen. Hmm, niet helemaal aan ons besteed. Wel heb je hier een prima uitzicht op de Flinder Ranges. Een prachtige bergketen. Deze gaan we echter over een week of 7 pas bezoeken. Als we terug zijn uit Perth 🙂

De volgende dag is weer een reisdag. En wel een lange, in onze optiek. We rijden de bovenkant van de ‘Eyre Peninsula’ van Port Augusta naar Ceduna. Het is een trip van bijna 475 kilometer. Ook dat gaat goed, het is een kustplaatsje. Redelijk ingeslapen. Je kunt je voorstellen dat hier zomers wel wat te doen is. Maar zo vroeg in het voorjaar, ligt het er een beetje verlaten bij. We hebben een prima plekje op de camping. Lekker beschut, maar wel het middagzonnetje voor onze caravan. We vermaken ons goed, maar besluiten dat 2 nachten hier voldoende zijn. Het weer is net als in het vorige dorpje fris, voor ons doen dan. Ik spreek een aantal dames uit Perth en die weten te vertellen dat het daar nu 31 graden is. Wij hebben ondertussen op Mirthe na, allemaal een beetje een dik strotje en een loopneus. Verwend door het mooie weer nu dus een beetje verkouden.

Op zondag trekken we de Nullabor in. Dat is een traject van iets meer dan 1200 kilometer van Ceduna naar Norseman. We willen dit in 3 dagen doorreizen. Er is niet veel in de Nullabor, vandaar de naam, die betekent: ‘Geen bomen’. Nu vinden wij dat het nog wel meevalt, maar er is naast de natuur verder weinig te beleven. Geen echte plaatsjes, en al helemaal geen disco dus 😉

Toch zien we de eerste dag werkelijk weer fantastische dingen. De rotskust bijvoorbeeld, met kliffen die hoger zijn dan 100 meter. En dan heb ik het niet over één klifje, maar kliffen zover je maar kunt kijken. De kinderen dus goed vasthouden. Want het waait nog steeds behoorlijk hard. De foto’s spreken voor zich. Niks gepikt van internet sites. Gewoon zelf genomen. En ….. we hebben walvissen gezien.

In de ‘Australische bocht’ hier in het zuiden overwinteren walvissen. Van maart tot oktober. Ze kalven dan, en als het weer warm genoeg is gaan ze verder naar het zuiden (dat is in dit geval kouder, anders dan op het Noordelijk halfrond). Wij waren eigenlijk een beetje te laat dus. In oktober vertrekken ze weer. Maar op een bord aan het begin van de weg naar de baai stond dat er nog een paar waren. Dat klopte ook. We hebben er vier gezien. Wat wel een beetje jammer was, was dat ze ver weg waren. We begrijpen ook wel dat het waarschijnlijk niet zo slim is om ons, toeristen, te dicht bij de dieren te laten. Misschien komen ze dan niet weer. Dus de plek van waar je naar de walvissen kunt turen is een aantal honderden meters van de baai vandaan. Als er enkele tientallen zijn, komen ze ook regelmatig voor het toeristische gedeelte langs zwemmen, maar dat hebben wij dus niet mee mogen maken. Door de verrekijker waren ze overigens goed te zien. Echt leuk. En zeg nou eerlijk, hoeveel mensen kunnen zeggen dat ze walvissen hebben gezien, ook al is het vanaf een paar honderd meter. En de oplettende kijker kon ook nog een paar dolfijnen zien rondzwemmen, op zoek naar een lekker visje. We hadden graag gezien dat deze beestjes nog even een leuke looping voor ons zouden maken. Maar helaas, ze waren te druk met vissen vangen.

Al met al was de tocht van 500 kilometer zo achter de rug. Waarschijnlijk juist omdat we van alles te zien en te doen hadden. Het roadhouse van Eucla waar we terecht komen, valt niet tegen. De camping is niet veel, zet je caravan maar bij een stroompunt. Maar er is een speeltuintje en ook het restaurant krijgt een voldoende. Schone toiletten en douches, ook altijd fijn. Vanwege de lange rit besluiten we uit eten te gaan. Vooral Lisa heeft het hier al weer een tijdje over. Niet gewoon naar de McDonalds, maar echt even uit eten. Nou moet je geen culinair hoogstandje verwachten bij het uit eten gaan in een roadhouse, maar het is goed te doen. Voor kinderen een eigen menuutje. En ook pa en ma kunnen kiezen uit verschillende hoofd- en voorgerechten. De meiden vinden het echt leuk. Een jaar geleden waren ze in Frankrijk nog met geen stok naar een restaurant te krijgen. Nou ja, weer een kostenpost erbij 😉 Morgen verder de Nullabor in. Benieuwd of daar de bomen dan echt helemaal ontbreken.