Week11

week11: 22 september t/m 27 september 2003 geschreven door: Thea
 Alice Springs

Tennant Creek is ons goed bevallen. Ook van dit stadje hadden we gehoord dat het ’s nachts ‘noicy’ zou zijn in verband met de Aboriginals. Maar dat bleek niet het geval. Misschien kwam het omdat we een camping hadden gekozen die niet in het centrum lag. Afijn, lekker uitgerust na een reisdagje. Even gezwommen met de kids en ’s avonds hebben de kinderen een vriendinnetje gebeld. Ze vonden het erg leuk om even weer een andere bekende stem te horen dan die van papa en mama. Het is een vrij onbeduidend stadje, we besluiten dan ook hier verder niet al te veel tijd te spenderen. De volgende dag is het een klein eindje naar onze nieuwe bestemming, ongeveer 130 kilometer. Daar draaien wij onze hand niet meer voor om 😉

Wycliffe Well, een roadhouse (tankstation) met een camping 25 kilometer na Devils Marbles. Wat een geweldige verrassing weer, toen we aankwamen. Het bleek dat een aantal creatievellingen de camping runden. Het verhaal gaat dat er bij Wycliffe Well regelmatig UFO’s worden gespot. Dit thema hebben ze opgepakt en elke beschikbare muur binnen de camping en op het roadhouse was beschilderd. Allemaal hadden ze wel iets met UFO’s. Soms een aantal cowboys te paard en dan op één paard een groen marsmannetje. Maar ook een aantal heel creatieve tekeningen die helemaal een buitenaards thema hadden. Verder hadden ze allerlei poppen neergezet, van een marsmannetje tot een Elvis figuur (al denk ik dat Elvis hier niet blij mee geweest zou zijn). Ook stond er een treintje met ongeveer 5 wagonnetjes midden op de camping en lagen er heuse rails, van dat stationnetje naar een meertje. Echter deze rails zagen eruit of ze nog nooit bereden waren.

De camping was volgens ons een mislukt experiment. Niet vanwege de tekeningen en poppen, maar vanwege een mislukt kunstmatig aangelegd meer. Dit meer had waarschijnlijk de trekpleister moeten worden voor allerlei watersport (vissen hier in Australië) liefhebbers. Maar dat was niet helemaal gelukt. Een bord vertelde vol trots dat ze ergens eind jaren 80 met de aanleg van het meer begonnen waren, en in 1996 gestart met het volpompen (?) van het meer. Nogmaals niet helemaal gelukt, er stond een laagje water en verder zag het er onverzorgd uit. Geen wonder dan ook dat de camping bijna verlaten was. Maar aan de foto’s valt te zien waarom het voor ons toch in het rijtje bijzondere ervaringen valt.

Afijn, na een paar uurtjes daar geweest te zijn vonden wij (= Thea en René) dat waarschijnlijk 1 nachtje hier genoeg zou zijn. Echter, Lisa en Mirthe hadden in die paar uur een vriendinnetje gevonden. Mary van 7, die samen met een broertje, twee zusjes en haar moeder een aantal dagen in een cabin op de camping vertoefden. Deze mensen waren op weg naar Tennant Creek. Daar zouden ze een ‘nieuw’ huis krijgen. Tot die tijd reisden ze rond. De dames waren bijna onafscheidelijk, en aangezien er voor hen dus veel was te beleven op de camping lieten wij ons overhalen. Een dagje ‘rust’ kon waarschijnlijk ook geen kwaad. En eerlijk is eerlijk, wij vonden het hartstikke leuk dat de meiden weer met andere kinderen speelden.

Zoals gezegd hebben we verder op de camping weinig beleefd. Helaas geen UFO’s gezien, al vermeldde de folder dat het wel erg toevallig moest zijn als we er niet eentje zouden spotten 🙂 Wat we wel hebben gezien ’s avonds, waren een ongelofelijke hoeveelheid insecten. De sprinkhanen sprongen je letterlijk om de oren. Motten vermoordden elkaar bijna om bij het licht te komen. Wij hebben nog nooit zoveel insecten bij elkaar gezien. Niet dat we veel gestoken werden, maar als je buiten probeert een mailtje te tikken, maar de letters niet meer kunt zien door de hoeveelheid beesten die er op je scherm lopen, dan gaat de lol er wel vanaf. Wij hebben dus beide avonden niet kunnen lezen en/of werken op de computer. We hebben een kaars en een olielamp op een afstandje neergezet en ons verbaasd over de domheid van de beesten. Af en toe leek het of ze een wedstrijdje deden wie er het dichtst langs het vuurtje durfde te vliegen of te springen. Dat hebben ze er niet allemaal levend afgebracht. Bij lange na niet zelfs.

Ook de volgende dag vermaakten de meiden zich prima. Er was een zwembad waar ze zich lekker konden uitleven. Er waren ook nog vogels, konijnen, een cavia en een zwijntje in een hok. Op een ander veldje liepen nog kangoeroes, emoes, een ezel en een dromedaris. Kortom, wat hen betrof bleven we er nog weken. Mary en haar broertje vonden het ook erg leuk weer wat speelkameraadjes te hebben. En zo was iedereen gelukkig.

Dinsdag aan het eind van de middag zijn we naar Devils Marbles gereden. Ook dit is weer zo’n locatie die je niet uit kunt leggen. ‘Zomaar’ ergens in een heuvelrug liggen een aantal rotsen, welke als een soort knikkers en blokken bovenop de aarde liggen. Uiteraard zijn ze rood, zoals bijna de helft van Australië. Het is een heel maf gezicht stenen te zien liggen die alle natuurwetten lijken te tarten. Als je ze zo bewust zou willen stapelen zou het je waarschijnlijk niet lukken. De laagstaande zon deed qua kleurstelling er nog een schepje bovenop.

Op woensdag zijn we doorgereden naar Alice Springs. Het hart van Australië. Het ligt weliswaar geografisch niet exact in het midden, maar komt er zeker het dichtst in de buurt voor deze titel. Is hier ook niet moeilijk, het is echt zoeken naar het volgende plaatsje. Alice Springs ligt midden in de Mc Donnell Ranges. Dit is een soort heuvelrug. Het klimaat is hier (op dit moment) aanzienlijk beter dan in het noorden. Het kwik komt elke dag wel boven de 30 graden, maar het is een droge warmte. ‘An honest warmth’ zeggen de Australiërs. ’s Nachts koelt het ook goed af, drie weken geleden werd het hier nog 4 graden. Dat valt nu reuze mee, maar het is wel lekker om weer eens onder een dekbed te kunnen slapen. De afgelopen nachten was het wat ons betreft zelfs te warm voor een laken.

De camping is luxe. Nu moet ik zeggen dat de meeste campings in Australië een hele dikke voldoende, of zelfs hoger, verdienen. Het sanitair is meestal netjes en schoon. Verder heeft bijna elke camping hier een ‘Çampers kitchen’ waar de mensen in tentjes hun maaltje klaar kunnen maken. Er staat bijna altijd een waterkoker, een magnetron, een BBQ en bijvoorbeeld een toastrooster. Ook zijn er altijd tafels en stoelen of in ieder geval picknick tafels. Dus voor de mensen die met een tentje op pad willen, op bijna alle campings ben je van harte welkom. De BBQ’s zijn hier bijna allemaal op gas en die van de camping zijn door iedereen te gebruiken. Alleen het vlees moet je zelf kopen, vult Lisa mijn zin aan.

Het uitzicht vanaf ons plekje is ook geweldig. We staan op de laatste rij van de camping, en kijken uit op een deel van de Mc Donnell Ranges. De eerste avond lopen Lisa en ik de camping af richting de heuvel, en komen twee Wallabies tegen. De volgende dag hipt er weer een gewoon langs de caravan. Deze is overigens niet zo tam dat hij blijft zitten en ‘bedelt’ om even, maar toch. Het blijft bijzonder. Het zicht op de sterren is ook geweldig, en tot onze grote opluchting zijn hier ’s avonds ongeveer 90% minder insecten. Dat trekken we, de laptop kan weer aan 😉 De lange broek ook na negenen, overigens.

Na een goede nachtrust gaan we de volgende dag op pad naar het Desert Wildlife Park. De verwachtingen zijn hooggespannen, want het is een ‘zusje’ van het park dat we in het noorden hebben bezocht. Als we het park binnen komen zijn we precies op tijd voor de film over het ontstaan van dit gebied. Het is een prachtige film van 20 minuten die vanaf het ontstaan van de aarde tot nu laat zien welke veranderingen dit gebied heeft ondergaan. Zo heeft ook dit deel van Australië vele miljoenen jaren geleden deel uitgemaakt van de zeebodem. Komen de dinosauriërs aan bod, en voordat het een ‘desert’ werd, was het hier ook ‘nog even’ een tropisch regenwoud. We vinden het allemaal een mooie en indrukwekkende film. Als toetje gaat aan het eind van de film het filmdoek naar beneden, en zien we door de ramen, die net zo groot zijn als het hele filmdoek, de Mc Donnell Ranges. Dit is werkelijk een prachtige overgang. Wat knap toch, dat je dit soort dingen kunt bedenken. We zijn klaar voor de wandeling door het park.

Zoals al gezegd is het qua temperatuur goed te doen. Veel drinken en af en toe de schaduw opzoeken. Maar het park valt ons een beetje tegen. Ze hebben het hartstikke mooi gedaan, de drie soorten ‘desert’ die ze hier kennen neer te zetten. Echter de variatie van vegetatie en diersoorten valt een klein beetje tegen. Ik heb het geloof ik al eerder aangehaald, maar je raakt hier natuurlijk al gauw verwend. Als je dwars door de Kimberley bent gereden, The Top End hebt gezien, Kakadu hebt bezocht, tja dan moet je ook wel aan hele hoge standaarden voldoen om ons helemaal opgewonden te krijgen. We hebben het park met plezier bezocht, maar de natuur erbuiten is even mooi. Na het park hebben we ons nog maar even uitgeleefd in de shopping malls van Alice. En de update van onze website gerealiseerd. Dat lukt hier in het rode hart niet op elke plaats. In elk gehucht heb je wel een internet verbinding, maar als je 15 of 20 foto’s wilt overpompen is een beetje snelle verbinding wel handig. Wachten duurt anders ook zo lang.

Om mijn opmerking over de schitterende natuur maar weer even op te rakelen, hobbel ik naar de vrijdag. We hebben een uitstapje naar de West Mc Donnell op het program. Nee, niet Mc Donalds, daar zijn we gisteren geweest 🙂 Alice Springs ligt dus ongeveer in het midden van deze heuvelrug, dus niets minder logisch dan dat we het ‘West’ en ‘East’ noemen. Aan de westkant zijn ongeveer acht mooie ‘gaps’, ‘gorges’ en een ‘chasm’ te zien. Zeg maar mooie kloven en doorgangen. Zowel de Lonely Planet (geweldig boek met onwijs veel informatie) alsook een aantal mensen die we gesproken hebben, geven aan dat de eerste twee, te weten: Simpsons Gap en Standley Chasm, de mooiste zijn. Dat komt goed uit. We hebben geen zin in dagtripjes van 100 kilometer en meer en de verste ligt 50 kilometer buiten Alice Springs.

Standley Chasm is een werkelijk prachtige kloof. Er groeien struiken en planten op de bodem (en dat is in dit geval waar je loopt) dus er is schaduw, en het lijkt sommige stukken op een ‘adventure’. Lekker klimmen en klauteren. Niet geschikt voor rolstoelen is hier wat zacht uitgedrukt, je moet behoorlijk goed te been zijn wil je over de verschillende rotsen klimmen. En als je dan in de nauwe doorgang, waar het vooral om gaat komt, raak je weer met stomheid geslagen. Je loopt door een doorgang van nauwelijks vier meter, maar de wanden boven je halen wel de 100 meter. De zon raakt hier de bodem ook maar 15 minuten per dag. Meteen na deze kloof kun je weer een stukje klauteren. Dit is niet geschikt voor de eerder genoemde groepen, maar dat wordt ook uitgebreid met kleine kinderen en ouderen en alles wat niet meer atletisch is. De kinderen zijn helemaal gelukkig. Dit is beter dan ‘Ballorig’. Lisa vraagt zich af of dit niet een leuk plekje is voor kinderfeestjes. Vast wel, maar ik denk dat er dan weinig vriendinnetjes van haar zullen komen 😉 Als we terug zijn van de klim val ik op de parkeerplaats nog zo’n beetje op mijn neus. Dit keer verzwik ik mijn linkerenkel. Mensen die mij wat beter kennen weten dat mij dit nog wel eens gebeurt. Nee, nee, ik heb het nu niet over mijn stapavondjes. Morgen maar hele stevige wandelschoenen aanschaffen.

Het wandeltochtje naar Simpsons Gap gaat nog net. Het is een kleine 10 minuutjes lopen vanaf de parkeerplaats. Ik ben een beetje bezorgd hoe deze gap zal bevallen na de leuke klimmetjes. Maar ook dit is adembenemend. Je ziet hoe ooit een rivier zich een weg heeft gebaand door de quartz rotsen. Je voelt je onmiddellijk weer heel klein in deze omgeving. We hebben lekker in de schaduw naar de rotsen zitten gapen. De dames klauteren ook hier weer dat het een lieve lust is. Wat een mooi land.

Omdat we vroeg op pad zijn gegaan en niet te ver hebben gereden, zijn we om half drie weer ‘thuis’. De kinderen doen nog even wat huiswerk, René knutselt wat aan de caravan en de auto en ik tik mijn verhaal. Daarna een verfrissende duik in het zwembad. Wat hebben wij het toch vervelend.

De zaterdag hebben wij ‘gebombardeerd’ tot rustdag, althans deze zaterdag dan. Dat houdt in dat we de middag wat gaan rondkijken in Alice Springs, maar geen uitstapjes buiten het stadje gaan maken. We zien mensen om ons heen elke dag uitvliegen, om de hele dag weg te blijven. Ze rijden soms 200 kilometer of meer op een dag om al het moois van de omgeving te zien. Daar is op zich niets op tegen, en over het algemeen hebben die mensen ergens tussen de 3 en de 6 weken vakantie. Wij hebben besloten dat we dat niet gaan volhouden een heel jaar. Bovendien maken we verder genoeg kilometers. Gisteren hebben we de 10.000 km grens overschreden. Een hele mijlpaal naar wij dachten. En dat in 2 ½ maand.

En zo’n ‘vrije’ dag bevalt ons allemaal prima. ’s Ochtends lekker wat aankeutelen. Niet direct wassen en tandenpoetsen. De meiden hebben heerlijk in de speeltuin gespeeld en met de barbies. Dat laatste dan weer binnen. Dat kon vandaag ook prima. Vannacht werden René en ik wakker van de wind, die leek om de caravan te gieren. Ik ben er nog even uitgeweest om te kijken of de luifel in gevaar was. Dat viel wel mee, de wind stond op de andere kant van de caravan. Maar de wind ging niet liggen, en ik denk dat de temperatuur vandaag hier in Alice Springs niet boven de 25 graden is geweest. Koud hoor 😉 Het is erg lachen om te zien hoe snel je gewend bent aan de warmte. Voor het ontbijt stapten we allemaal de caravan uit in een korte broek en t-shirt, Mirthe zelfs in een topje. Maar daar werd gauw wat overheen aangetrokken. Fijn dat de kaas je niet meteen onder je handen wegsmelt overigens. Maar ook wel raar dat je hier in het hartje van Australië, waar het volgens kenners altijd warm is deze tijd van het jaar, de zon opzoekt om je kopje koffie te drinken. Maken jullie je overigens niet bezorgd over ons kopje koffie. We drinken hier gewoon Moccona van Douwe Egberts, overal te koop. Zelfs het vrouwtje op de verpakking hebben ze geëxporteerd.

’s Middags nog wel even naar het stadje geweest. We wilden nog graag Panorama Guth zien. Een 360 graden schilderij van de omgeving van Alice Springs. Geschilderd door de Nederlandse kunstenaar Henk Guth (wie kent hem niet). Hij heeft zich laten inspireren door de panorama’s uit Europa (dus ook Mesdag neem ik aan, die zal hij zeker kennen). De omgeving was prachtig neergezet. Van de Simpsons Gap tot Uluru kon je zien in de cirkel. Aansluitend de laatste boodschappen voor de komende 5 dagen gedaan, we trekken morgen naar Kings Canyon en daarna naar Uluru. In die twee gebieden ligt geen dorpje. Wel campings en resorts, maar de spullen die je daar al kunt kopen zijn natuurlijk waanzinnig duur. En dat is een beetje zonde van het ‘vakantiegeld’. Dus zoals goede Hollanders betaamd, is onze caravan volgeladen met etenswaren, en drank niet te vergeten 🙂

Op naar de volgende hoogtepunten. Ikzelf verheug met vooral op Uluru. Zelfs in de boeken staat dat je je eigenlijk niet kunt voorbereiden op je eerste ontmoeting met de berg. Iedereen kent wel de foto’s van de rode monoliet (bijna iedereen dan?). Toch schijnt het heel bijzonder te zijn om hem in het echt te zien.